Dagboek van vroeger

Het was jaren en jaren later, bij een opruiming op zolder, waar ze een dagboek vond. Een dagboek waarvan ze altijd gezegd had ze nooit geschreven te hebben. Ze schreef niet. Nooit. Waarom wist ze eigenlijk niet. Ze wist dat ze het vaker geprobeerd had, de ettelijke boekjes en schriften met een paar bladzijden ‘begin’ waren daar het bewijs van. Beginnetjes nietszeggend materiaal, variĆ«rend van ‘lief dagboek’ tot opsommingen van dagelijkse gebeurtenissen tot uitingen van ‘ik voel me niet goed’ zonder verhaal. Dat verhaal was er immers niet. Zij had geen verhaal, want ze was niemand. En zonder verhaal mocht ze zich niet niet goed voelen van zichzelf, dus bleven de pogingen vruchteloos.

‘De Schrijver’

En toen was daar het dagboek. Of, meer waarheidsgetrouw, een vakantiedagboek. Het deed haar belanden in een verhaal. Het verhaal van het meisje dat ooit het boekje kreeg van de buurvrouw. En dan stort het verhaal uiteen in verschillende lijnen. Hoe ze blij was en wilde schrijven en er zeker van was dit deze vakantie echt te doen. Hoe ze tegelijkertijd ergens tegenwerking voelde en wist het niet te kunnen. Hoe ze het moest van Hun, omdat ze het had gekregen en zo moest laten zien dat ze dankbaar was. Hoe het schrijven een verplichting werd iedere dag. Dat als ze al zo moe was en in een roes zat, zich toch nog op moest peppen. Hoe ze schrijven moeilijk vond. Hoe ze niet wist wat te vertellen en zich op haar jonge leeftijd teveel bewust was van de saaiheid van feitelijke opsommingen. Plus dat andere. Dat andere dat niemand wist.

Ze bladerde door het boek, las flarden en wist: ‘dit is een schat’.
Op een later moment las ze meer. Er vielen dingen op. Ze las alleen maar ‘leuk’. Eerst rustig leuk, niet buitenproportioneel. Later over de top leuk. Uitschreeuwend. Pijnlijk onecht, maar dat stond er niet. Ze kwam bladzijden tegen waar in teksten was gecorrigeerd door het handschrift van Hem.

‘Ze bladerde door het boek, las flarden en wist: ‘dit is een schat’.’

Weer een verhaal. Het verhaal van een Nare Dag. Dat moest er eens van komen, die nare dag. Ook vakanties waren niet gevrijwaard. Het had een tijd geduurd, de dagen ervoor hadden enkel maar stukjes naar. Als je heel goed je best deed kon je die kreukels weer gladstrijken. Als je goed genoeg streek dan was er de kans dat Ze het lieten varen en zelf keek ze dan ook niet meer om.
Maar altijd was er een moment, vroeger of later, dat de boel kapseisde. Dat was vandaag.

Het was een hele nare oneerlijke dag geweest die ze nog voelde in iedere vezel van haar lijf. De tranen begraven in poeltjes achter haar ogen, omdat een overstromen ervan altijd tot nieuwe vloedgolven leidde. En nu was er De Taak, ze zat verplicht achter haar dagboek. Ze vroeg zich af wat Zij in gedachten hadden dat ze op zou moeten schrijven. Het liefste zou ze nu schrijven over de oneerlijkheid, het uitgillen en schreeuwen op papier, maar Zij zouden lezen, en dan? Ze had gewild dat ze het geschrevene in het boek gelijk geheim gehouden had, hoewel ze niet wist of Ze dat geaccepteerd hadden. Het nu opeens geheim houden wekte argwaan op, zoveel wist ze wel en het was daarmee onmogelijk. Even flitste er door haar hoofd om het wel te doen en het wel te laten lezen, om Hem te laten zien wat hij aanrichtte, om hem eindelijk eens te kunnen straffen. Want god daar was ze al zo lang naar op zoek, een manier om hem net zo hulpeloos en miserabel klein te laten voelen als dat hij haar het merendeel van de tijd liet voelen. Maar al snel drong tot haar door dat ze daarmee juist haar kaarten prijsgaf. Van buiten was ze stoer en was er niets te zien. Onaantastbaar. Die schil hield niet altijd stand bij zijn spelletjes, waardoor af en toe een stukje van de binnenkant zichtbaar werd, maar hij voldeed ook regelmatig heel aardig, zoals nu. Ze ging hem de rest natuurlijk niet op een presenteerblaadje geven, daar moest hij zelf zijn best maar voor doen. Bovendien zou hij het meer als een triomf zien dan als een straf, zoals bij hem alles een wedstrijd was, en ze ging hem niet laten winnen.

‘In haar hoofd zo ver mogelijk van de schrijvende hand verwijderd, schreef ze.’

Maar wat voor optie had ze dan? Schrijven moest ze. Er zat niets anders op dan mooi weer te spelen, maar de gedachte eraan alleen al verscheurde haar. Zwart op wit. Echt. Zwart op wit niets aan de hand. Echt niets aan de hand. In haar hoofd zo ver mogelijk van de schrijvende hand verwijderd, schreef ze. Vanuit een andere uithoek van haar brein werd het enige niet erge van de dag naar voren geschoven en vanuit een derde werd het minuscule opgeblazen tot iets wezenlijks. Ze schreef, onecht, en verloor daarmee voorgoed haar schrijven.

Het lijkt of ze wakker schrikt uit een droom. Haar hoofd is wazig. Vaag herinnert ze zich flarden van die droom. Een naar gevoel, alsof haar hart uit elkaar wordt gescheurd, voert de boventoon. Ze kijkt naar het dagboek wat op haar schoot ligt en langzaam begint haar iets te dagen. Zou dit de lang verloren sleutel zijn tot het schrijven?

Please follow and like us:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *