Ik ben een kruimeldief.
Ik geloof dat ik niet altijd zo was, maar ik ben wel snel zo geworden.
De daadwerkelijke transformatie zal ongeveer op m’n zevende geweest zijn. Ik had meerdere keren ervaren dat mijn moeder, als ik haar om troost kwam vragen, ze deze met tegenzin gaf. Weerzin misschien zelfs op momenten. Of dat ze me domweg afweerde.
Deze keer was er ook zo’n afwering. Gepaard gaande met de zin ‘als je nou eens wat meer zou doen in huis, dan zou ik misschien wat meer tijd overhouden voor jou’.
Het was dat moment dat ik besloot ‘dit nooit meer’. Al was dat nog niet zo makkelijk als ik gedacht had.
Ik slurpte her en der als het kon wat aandacht. Bij twee leraren op de basisschool, die allebei te kort bleven vanwege de ongezonde setting in het schoolteam. Bij mijn neefje en nichtje, die mij op handen droegen, waar ik helemaal niets van begreep. Heel af en toe bij de moeder van een vriendinnetje. Meestal pas als ik in paniek was, maar ik mocht er tenminste brood eten zoveel ik wilde in plaats van de maximale twee per dag thuis.

In huis moest ik het hebben van mijn vader, die me mishandelde. Veelvuldig psychisch. Soms fysiek, om z’n dreigingen kracht bij te zetten. Maar áls er een knuffel te halen viel thuis, dan was het bij hem. Of eigenlijk moet ik zeggen ‘krijgen’, want het was uiteraard op zijn voorwaarden. Hij bepaalde wanneer en hij bepaalde ook hoe lang. Meestal precies tegengesteld aan mijn behoefte. Hij gaf korte als je meer nodig had en hield je langer vast als je dat niet wilde en daartoe duidelijke signalen gaf.
Ik had niets te willen. Vragen stellen was op vrijwel elk vlak (behalve het medische) taboe. Voor aandacht, maar ook intellectueel. Het mocht een, misschien twee keer. Een ramp voor de nieuwsgierige en gevoelige ik die ik was.
Ik leerde stemmingen lezen, emoties peilen en genoegen nemen.
Genoegen met kruimeltjes. Waarvan ik steeds meer vond dat ik ze steelde. Want het was niet de bedoeling en dus niet goed als ik het deed. Ik was in overtreding. Continue.
Zolang ik me kan herinneren speel ik tweede viool. Op z’n best dan. Vaker derde, vijfde, tiende. Of ik zit überhaupt niet in het orkest. Lange tijd had ik het zelf niet in de gaten. Of ook wel, maar dat was niet te dragen, dus dat moest sneller weg dan het gekomen was. Kruimeltjes worden nooit een koek.
Toen ik lang na de middelbare school iemand weer zag uit die tijd en we een bijzonder gesprek hadden, was hij verbaasd wat ik hierover vertelde. Hoe eenzaam het was. Hoe te weinig. Zowel op school als thuis. In zijn ogen ‘huppelde ik overal makkelijk doorheen’.
Sinds die keer hoorde ik dat vaker. Veel vaker. En nog steeds.
Kennelijk ben ik goed geworden in het genoegen nemen met de kruimeltjes. Aan de buitenkant zie je niets. De rotzooi zit binnenin. Opgehoopt en verstopt. De zuigkracht vermindert naarmate de jaren verstrijken. De hoop op beter vervliegt langzaam maar zeker.
Want tja, wie wil er nou een kruimeldief?
